Vervallen op 14 mei 2022
Resource interface
Het resource interface hoort bij de hoofdfunctie Uitwisseling.
Op deze pagina staan alleen de verantwoordelijkheden inzake het resource interface die nog niet genoemd staan in:
de informatiestandaard van de Gegevensdienst die op het resource interface wordt aangesproken.
1a. | De OAuth Client gebruikt voor het sturen van het acces token, in de resource request, de methode De methode | ||||||||||||||||||||||||||||
1b. | De OAuth Client voegt bij het versturen van een resource request een | ||||||||||||||||||||||||||||
2. | Na ontvangst van een resource request, in UCI Verzamelen of UCI Delen, zal de Resource Server, indien in antwoord daarop een resource response dient te worden gedaan, na maximaal zestig (60) seconden dit resource response ter beschikking stellen aan de PGO Server. Dit gedrag van de Resource Server is gedurende minimaal 98,5% van de tijd beschikbaar. | ||||||||||||||||||||||||||||
3. | Voor zover er in het verkeer tussen PGO Server en Resource Server in de use case-implementaties UCI Verzamelen en UCI Delen sprake is, in de stuurgegevens, van een gegevenselement dat tot de identiteit van de Zorggebruiker herleid kan worden, gebruiken zij daarvoor niets anders dan de OAuth-gegevens die zij in hun respectievelijke OAuth Client en OAuth Resource Server moeten uitwisselen. PGO Server, Authorization Server en Resource Server treffen goed beveiligde voorzieningen waarmee zij hieruit waar nodig zelf de identiteit van de Zorggebruiker kunnen vaststellen. Met het oog op het borgen van de privacy en het zo eenvoudig mogelijk houden van de architectuur van het MedMij Afsprakenstelsel, wordt ervoor gekozen de identifier voor de Zorggebruiker onderweg zo betekenisloos mogelijk te houden. Alle betekenis wordt er ter weerszijden aan verbonden door raadpleging van interne registraties. Omdat de PGO Server, Authorization Server en Resource Server samen een OAuth-flow afhandelen, beschikken zij (na authenticatie van de Zorggebruiker) over tokens die de identiteit van de Zorggebruiker vertegenwoordigen, namelijk (eerst) de authorization code en (later) het access token. Buiten deze hoeft en zal er geen identificerende gegevenselementen in het verkeer worden opgenomen. Het FHIR-gegevenselement PatientID wordt niet gebruikt. | ||||||||||||||||||||||||||||
4. | OAuth Resource Server en OAuth Client handelen uitzonderingssituaties inzake het resource interface af volgens onderstaande tabel. De Resource Server dient de status code uit de tabel te retourneren in combinatie met de bijbehorende melding zoals gespecificeerd in de gebruikte informatiestandaard (indien van toepassing).
|